Informatie over inheemse boomsoorten

Acht inheemse soorten

Wij hebben informatie van acht inheemse boomsoorten voor je op een rijtje gezet: Gewone esdoorn, Zwarte els, Zachte berk, Haagbeuk, Gele Kornoelje, Eenstijlige meidoorn, Winterlinde en Egelantier.

Gewone esdoorn

Acer pseudoplatanus

Komt van nature voor in Zuid-Limburg, maar waarschijnlijk ook noordelijker in Nederland. Een  hoge boom met brede kroon. Vraagt een goede grond met goede vochtvoorziening. Doet het slecht op zure, zware of te droge bodems. Heeft een snelle jeugdgroei met grote concurrentiekracht. Snoeien alleen in volledige winterrust (najaar – voor 1 december, niet bij vorst).  Opslag uit zaad kan plaatselijk overlast veroorzaken. Goede drachtplant voor bijen.

  • Gebruik: bosjes, houtwallen, (struweel)hagen, lanen of als solitaire boom
  • Hoogte bij afhalen: 40-60 cm, maximale hoogte: 10-30 meter
  • Bijzonderheden: In het blad van de Gewone esdoorn komen stoffen voor die giftig zijn voor paarden
  • Bloeitijd: april-juni
  • Beheer: verdraagt afzetten en snoeien
  • Grondsoort: geschikt voor zand, klei en veen

Zwarte els

Alnus glutinosa

Deze boom heeft een vrij donkere stam. Hij groeit vooral op vochtige tot zeer natte gronden. Met behulp van bacteriën op wortelknolletjes bindt hij zelf stikstof uit de lucht en maakt zo eigen voeding. De zwarte els groeit ook op veengrond. Hij verdraagt enige schaduw en kan goed tegen wind. Het is een snelle groeier met een beperkte concurrentiekracht. In bosverband van korte levensduur. Een oude stobbe is een rijke voedselbron voor insectenetende vogels. Het zaad (elzenproppen) is belangrijk voedsel voor overwinterende zaadetende vogels, vooral sijsjes.

  • Gebruik: houtkaden, houtwallen, houtsingels, geriefhoutbosjes en als knotboom
  • Hoogte bij afhalen: 125+ cm, maximale hoogte: 10-25 meter
  • Bijzonderheden: groeit op vochtige tot zeer natte gronden. Kan tegen (lichte) schaduw en wind.
    Bloeitijd: februari – april
  • Beheer: verdraagt afzetten en knotten
  • Grondsoort: geschikt voor zand, klei en veen

Zachte berk

Betula pubescens

De zachte berk komt meer op natte gronden voor in tegenstelling tot de ruwe berk. Deze berk groeit nagenoeg op iedere grondsoort. Hij heeft grote behoefte aan licht en is bestand tegen wind. De berk is een pionier: hij heeft een snelle jeugdgroei, maar geringe concurrentiekracht. De berk wortelt oppervlakkig, waardoor hij concurreert met de wortels van de struik- en kruidlaag. Op een voedselarme bodem is er bij een berk weinig ondergroei aanwezig.

  • Gebruik: houtwallen, (geriefhout)bosjes, houtsingels en als solitaire boom
  • Hoogte bij afhalen: 60-100 cm, maximale hoogte 20 – 25 meter
  • Bijzonderheden: verdraagt natte, venige grond
  • Bloeitijd: april – mei
  • Beheer: verdraagt afzetten of knotten. Snoeien in najaar (tegen bloeden)
  • Grondsoort: geschikt voor zand, klei en veen

Haagbeuk

Carpinus betulus

Deze boom heeft opvallend geelgroene bloemen. Hij groeit op voedselrijke, vochtige gronden. Daarnaast is hij droogtegevoelig. De haagbeuk groeit niet op veen of bodems met een hoge grondwaterstand. Hij verdraagt veel schaduw en is matig gevoelig voor wind. Hoewel de haagbeuk langzaam groeit, heeft hij veel concurrentiekracht. Alleen op schrale groeiplaatsen is hij te gebruiken als struik. Op betere gronden ontwikkelt de haagbeuk zich tot boom. Als waardplant is de haagbeuk geliefd bij de meikever, die zich voedt met bladeren en bloesem.

  • Gebruik: struweelhaag, houtwallen en bosjes
  • Hoogte bij afhalen: 60/80/100 cm, maximale hoogte 20 meter
  • Bijzonderheden: groeit op voedselrijke, vochtige gronden
  • Bloeitijd: april – mei
  • Beheer: verdraagt snoeien of afzetten. Snoeien in najaar (tegen bloeden).
  • Grondsoort: geschikt voor zand en klei

Gele kornoelje

Cornus mas

Van nature voorkomende struik in Zuid-Limburg maar in andere delen van Nederland wordt deze soort ook wel aangeplant. De takken hebben grijsachtig gele kleur maar jonge takken hebben een groene kleur. Verdraagt zonnige tot licht schaduwrijke groeiplaatsen met een matig voedselarme tot matig voedselrijke bodem. De struik bloeit al vroeg in het voorjaar met fraaie kleine gele bloemen en is daarmee een zeer geschikte struik voor wilde bijen die al vroeg in het voorjaar op zoek zijn naar nectar.

  • Gebruik: (struweel)hagen, houtwallen, bosjes en bosranden
  • Hoogte bij afhalen: 60-100 cm, maximale hoogte tot 6 meter
  • Bijzonderheden: de rode vruchten zijn wrang van smaak maar wel eetbaar en zijn rijk aan vitamine C. De vruchten worden wel tot compote verwerkt. De struik werd daarom vroeger ook wel in moestuinen geplant.
  • Bloeitijd: februari-april
  • Beheer: verdraagt afzetten en snoeien
  • Grondsoort: geschikt voor zand en klei

Eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

De meidoorn groeit in het volle licht uit tot een stevige struik met één of meer stammen. Je ziet hem vanouds langs perceelgrenzen, beken en bosranden. Hij doet het goed op zwaardere gronden, maar is minder bestand tegen arme grond en hoog grondwater. Hij verdraagt enige schaduw en is goed bestand tegen wind. Het is een langzame groeier met matige concurrentiekracht. De meidoorn heeft doorns en is daardoor goed beschermd tegen grote grazers en is geschikt voor veekerende heggen. Hij biedt ook nestel- en schuilgelegenheid  aan vogels en knaagdieren. De meidoorn  trekt diverse insecten en insectenetende vogels aan. Het meidoornhout is geschikt voor houtsnijwerk. Van de bessen kan jam gemaakt worden.

  • Gebruik: houtsingels, dichte randstruwelen, bosranden en (vlecht)hagen.
  • Hoogte bij afhalen: 40/60/+ cm, maximaal 10 meter
  • Bijzonderheden: sterk geurende bloemen. Goede schuilplaats voor vogels en knaagdieren.
  • De jonge aprilblaadjes van de meidoorn zijn goed eetbaar als groente en hebben een nootachtige smaak. De rode vruchten kunnen zowel rauw als gekookt gegeten worden. Ze smaken zoet en licht sappig. Ook zijn de vruchten goed te gebruiken in desserts.
  • In fruitteeltgebieden is de meidoorn minder geliefd. Meidoornstruiken zijn waardplanten voor bacterievuur. Bacterievuur is een gevreesde ziekte voor met name perenbomen. De kenmerken van de ziekte zijn het bruinzwart verkleuren, verdorren en verschrompelen van bloesems, bladeren en twijgen.
  • Bloeitijd: mei – juni
  • Beheer: verdraagt afzetten (niet te vaak). Kan goed tegen snoei, ook als geschoren haag
  • Grondsoort: geschikt voor zand, klei en veen

Kleinbladige of winterlinde

Tilia cordata

Waarschijnlijk de enige streekeigen linde met brede, ronde tot eivormige kroon en omlaag buigende takken. Voor optimale groei moet bodem diep open zijn. Doet het goed op rijke, vochthoudende lemige zandgronden. Groeit slecht op arme, droge of zware natte bodems. Verdraagt erg veel schaduw, is goed bestand tegen de wind. Is een climaxsoort; een vrij snelle groeier. Vormt vaak veel opslag aan de stamvoet.

Laat zich gemakkelijk in een bepaalde vorm snoeien (knot- en leilinden), het hout rot echter snel in. Door een uitgebreid en diep wortelstelsel staan de bomen op goed doorwortelbare plaatsen stevig in de grond.

  • Gebruik: knotboom, solitaire boom of leiboom
  • Hoogte bij afhalen: 20/40 cm, maximaal 30 meter
  • Bijzonderheden: de bloemen werden vroeger gedroogd en als geneesmiddel gebruikt (lindebloesemthee). Belangrijke drachtplant voor honingbijen. Omdat nectarvorming wordt bepaald door de avondtemperatuur en de luchtvochtigheid, varieert de dracht per jaar.
  • Bloeitijd: juni-juli
  • Beheer: verdraagt afzetten, knotten en snoei goed
  • Grondsoort: geschikt voor zand en klei

Egelantier

Rosa rubiginosa

Een tamelijk lage, gedrongen struik. De egelantier groeit bij voorkeur op wat drogere, kalkhoudende lichtere grond. Het blad geurt na fijnwrijven tussen de vingers naar appels. De roze bloemen worden bezocht door verschillende soorten wilde bijen.

  • Gebruik: houtwallen, struweelhagen, houtsingels en bosjes (in de randen)
  • Hoogte bij afhalen: 60/100 cm, maximaal 3 meter
  • Bijzonderheden: belangrijke voedselbron voor wilde bijen
  • Bloeitijd: juni – augustus
  • Beheer: verdraagt snoeien en afzetten
  • Grondsoort: geschikt voor zand

Plantinstructies

  1. Planttijd bomen: tussen half november en half maart.
  2. Bewerk de grond voordat je gaat planten, bijv. door de grond te spitten.
  3. Als je meerdere soorten bomen en struiken plant heeft het de voorkeur om in groepjes van 5-7 te planten. Deze methode van planten voorkomt dat langzame groeiers ook de kans krijgen ten opzichte van snelle groeiers.
  4. Plant niet te diep! De diepte is afhankelijk van de omvang van het wortelstelsel. Maak een plantgat; plaats het boompje of struikje in het plantgat. Gooi de grond weer in het plantgat, terwijl je het boompje of struikje recht op houdt; De grond lichtjes aanduwen.
  5. Plantafstand is afhankelijk van het doel waarvoor je het bosplantsoen gaat gebruiken. Bosje/singelshoutwallen 1,5 m, Knotboom plantafstand 3 m, Haag 4 á 3 per strekkende meter
  6. Bij droogte de bomen op tijd water geven.